het-woorden leren

      Heeft een woord de of het?

 

Alle naamwoorden in het Nederlands hebben de of het. De en het zijn lidwoorden.
Bijvoorbeeld: de man, de vrouw, de hond, de koe, de plant, de bloem, de deur, de lepel
en het kind, het paard, het varken, het gras, het raam, het mes….
Hoe weet je of de of het bij een naamwoord komt?
Voor de meeste naamwoorden is er geen regel welk woord een de-woord of het-woord is.
Je moet leren welk lidwoord bij het naamwoord hoort: de of het.
Maar let op: de allermeeste naamwoorden hebben de!
Daarom: naamwoorden met de zijn normaal, ze zijn de regel.
Je hoeft ze niet apart te leren.
Leer apart de naamwoorden met het.

       In het kort

•   Er is geen algemene regel.
•   Bij alle naamwoorden hoort een lidwoord: de of het.
•   De meeste naamwoorden hebben de, we noemen ze  de-woorden.
De-woorden zijn gewoon.
   Het-woorden zijn bijzonder. Geef ze extra aandacht
•   Bij het-woorden zijn een aantal dingen anders.
•   Geef extra aandacht aan het-woorden en wat daarbij hoort.
•   Leer het-woorden wanneer je nieuwe woorden leert.

 

       Het probleem: geen regel

Een van de dingen die moeilijk zijn om te leren aan het Nederlands is welke woorden de hebben en welke woorden het.

Alle naamwoorden (of substantieven) in het Nederlands hebben de of het.
Je kunt zeggen: we hebben de-woorden en het-woorden.
Maar er zijn geen duidelijke en geen algemene regels voor welke woorden de krijgen welke woorden het. Je kunt niet echt zeggen waarom een woord de heeft of het. Waarom is heeft ‘neusde en ‘oorhet? Niemand kan het zeggen.
Er is geen logische reden waarom het ene naamwoord de heeft en het andere naamwoord het.

Er zijn wel regels voor sommige groepen woorden waardoor je kunt weten dat sommige woorden de hebben of het. (Dat kan je soms helpen.) Maar er zijn geen regels voor alle woorden.
Dus zeggen we: je moet leren of een naamwoord de heeft of het.

Maar er is nog een belangrijk feit: Er zijn veel meer de-woorden dan het-woorden.
Daarom is het verstandig om vooral te leren welke woorden het-woorden zijn.

De-woorden zijn gewoon, het-woorden moet je speciale aandacht geven.


       Een extra probleem: te weinig aandacht

Omdat het probleem zo lastig is, geven we vaak te weinig aandacht aan het leren van de en het bij naamwoorden.
Het is moeilijk om het gebruik van de-woorden en het-woorden goed te leren. Daarom worden fouten die je hierbij maakt niet als grote fouten gezien.
Maar daardoor is het gevaar ook groot om er weinig aandacht aan te geven bij het leren. (Want het is toch niet zo erg als je het fout doet.)
Met het gevolg dat je later pas merkt dat je niet hebt geleerd of een woord een het-woord is of een de-woord. (En dan is het veel moeilijker om van alle naamwoorden die je kent te leren of ze de hebben of het. Je moet het dan later met veel extra inspanning gaan leren.
Dus het makkelijkst is het lidwoord meteen te leren bij het leren van het naamwoord.)

Het is ook een probleem dat het leren van het-woorden geen vast deel is van de meeste lesmethoden om Nederlands te leren.
Het zou goed zijn als het leren van het-woorden een vast (en geïntegreerd) deel zou zijn van het woorden leren in de lesmethode.
Wanneer dat niet zo is, is het belangrijk om bij het leren van nieuwe woorden aandacht te geven aan het lidwoord van het naamwoord. (Dat kost ook de minste extra inspanning.)

Naar mijn idee zou het leren van het lidwoord bij het naamwoord een vast onderdeel moeten zijn van het leren van nieuwe woorden.
Naar mijn idee is het beste dat te doen in de vorm van extra aandacht voor het-woorden.
Kijk: welk woord is een het-woord.

(Dat is, denk ik, ook de meest efficiënte aanpak. Op dat moment worden toch al de woorden geleerd. En zo wordt het een vast onderdeel van het leren,)

Leer welke naamwoorden het hebben als je nieuwe woorden leert.

 

       Samenvatting

1.  Het leren of een naamwoord een het-woord is of een de-woord hoort bij het woorden leren.
De en het horen bij het naamwoord.
Dus leer – wanneer je woorden leert – het naamwoord vanaf het begin altijd samen met het lidwoord de of het.
Je kunt zeggen: een naamwoord heeft altijd een lidwoord voor het naamwoord.
Leer daarom het lidwoord samen met het naamwoord.
Dus leer niet: man, vrouw, kind, hond, paard, deur, raam … , maar leer: de man, de vrouw, het kind, de hond, het paard, de deur, het raam ….

2.  Geef vooral aandacht aan het-woorden.
De grote meerderheid van naamwoorden zijn de-woorden. Het-woorden zijn er veel minder.
Onze hersenen zoeken altijd naar regels – daarom zijn voor onze hersenen de-woorden de regel. Die leer je vanzelf.
Er zijn veel minder het-woorden.
Het-woorden zijn niet gewoon, omdat ze minder zijn. Ze zijn anders.
(Mensen maken ook veel meer fouten met het-woorden dan met de-woorden.)

Omdat er zoveel de-woorden zijn gaat het leren van de-woorden makkelijker.
Omdat het-woorden in de minderheid zijn, zijn ze minder gewoon. Je moet ze speciale aandacht geven.
Daarom: geef speciaal aandacht aan het-woorden bij het woorden leren.
Want: het-woorden zijn speciaal.

3.  Leer meteen vanaf het begin bij het woorden leren welke woorden een het-woord zijn.
Als je niet van het begin af leert welke woorden het-woorden zijn, dan is het later veel moeilijker om het nog te leren.
Je moet dan veel extra aandacht en tijd geven om de het-woorden nog te leren.
Dus leer bij het woorden leren meteen welk woord een het-woord is.

 

       Bij het leren van het-woorden

Om aan te denken:

1.  Een aantal dingen zijn anders bij het-woorden.
•  Bij het-woorden horen dit en dat (en niet deze en die): dit meisje, dat meisje, dit huis, dat huis.
•  Bij het-woorden gebruiken we welk, elk, ieder en ons, zonder –e (en niet welke, elke, iedere en onze, met -e): welk kind, elk kind, ieder kind, ons kind, welk huis, elk huis, ieder huis, ons huis.
• Het adjectief. Normaal is: een adjectief krijgt een –e voor een naamwoord: de mooie jas, een mooie jas, mooie jassen, het mooie pak, mooie pakken.
Alleen het-woord (in het enkelvoud) dat onbepaald is krijgt niet –e: het huis – een mooi huis, het probleem – een groot probleem, het water – warm water, het bier – koud bier.
Leer dus bij een het-woord: het huis – een mooi huis, het probleem – een groot probleem, het water – warm water, het bier – koud bier
Geef bij het leren van het-woorden aandacht aan deze verschillen.
Verbind deze verschillen die er zijn bij het leren van het-woorden aan de het-woorden.

2.  Sommige naamwoorden krijgen altijd het.
Je kunt leren welke soorten naamwoorden dat zijn.
Klik hier voor een pdf-document over welke naamwoorden altijd het-woorden zijn.

3.  Sommige naamwoorden krijgen altijd de.
Kijk welke naamwoorden dat zijn.
Klik hier voor een pdf-document over welke naamwoorden altijd de-woorden zijn.

Een lijst van frequente of veelgebruikte het-woorden krijg je door hier te klikken.

Door hier te klikken krijg je een pdf-document met  een Thematische lijst van het-woorden.

Op de volgende pagina’s vind je meer over:
•  Naamwoorden – de-woorden en het-woorden
•  Wat is anders bij het-woorden
•  Het-woorden leren stap voor stap – een manier om het-woorden te leren
•  Een overzicht over de problematiek van het het-woorden leren
•  Oefenen en hulpbladen om te oefenen met het-woorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *