romancero gitano

       Romancero Gitano

 

Federico Garcia Lorca

Romancero Gitano   –   De balladen van de Zigeuners

 

inhoud

• Ballade van de maan, maan

• Preciosa en de wind

• Twist

• Slaapwandelende ballade

• Het zigeunernonnetje

• De ontrouwe vrouw

• Ballade van de zwarte smart

• Sint Michael (Granada)

• Sint Rafael (Cordoba)

• Sint Gabriel (Sevilla)

• Arrestatie van de kleine Antonio el Camborio op de weg naar Sevilla

• Dood van Antonito el Camborio

• Dood door liefde

• Ballade van de gedaagde

• Ballade van de Spaanse Guardia Civil

 

Drie historische ballades

• Marteldood van de Heilige Eulalia

• Ballade van Don Pedro te paard – Ballade met gaten

• Thamar en Amnon

 

 

Ballade van de maan, maan

De maan kwam bij de smidse
met haar hoepelrok van rozen.
De jongen kijkt en kijkt naar haar.
De jongen staat naar haar te staren.
In de lucht die geroerd is
beweegt de maan haar armen
en toont, ontuchtig en rein,
haar borsten van hard tin.
Vlucht toch gauw, maan, maan, maan.
Als de zigeuners straks kwamen,
dan maakten ze uit je hart
halssnoeren en witte ringen.
Jongen, laat me nu dansen.
Wanneer de zigeuners komen,
vinden ze je op het aanbeeld
met je oogjes gesloten.
Vlucht toch gauw, maan, maan, maan,
want ik hoor hun paarden al.
Jongen, laat me; knijp me niet
in mijn fijn gesteven blankheid.

De ruiter naderde roffelend
op de tamboerijn van de vlakte.
In de smidse heeft de jongen
allebei zijn ogen gesloten.

*

Door de olijfgaard kwamen,
brons en een droom, de zigeuners.
Met de hoofden opgeheven
en de ogen half op een kier.

Hoe zingt de grote nachtuil,
ach, hoe zingt hij in de boom!
Langs de hemel gaat de maan
met een jongen aan de hand.

In de smederij wenen,
met luide kreten, de zigeuners.
De lucht omhult haar, omhult haar.
De lucht hult haar in een sluier.

 

Preciosa en de wind

Preciosa komt al rinkelend
met haar maan van perkament
over een tweeslachtig pad
van laurieren en kristallen.
De sterreloze stilte
die wegvlucht voor haar getrommel,
valt waar de zee slaat en zingt
uit zijn duisternis vol vissen.
Op de toppen van de bergrug
slapen de karabijnsoldaten
die wacht houden bij de witte torens
waar de Engelsen in wonen.
En de zigeuners van het water
richten voor hun vermaak
prilen op van zeeschelpen
en van groene pijnboomtakken.

Preciosa komt al rinkelend aan
met haar maan van perkament.
Toen hij haar zag is de wind
die nooit slaapt opgestaan.
Sint Christoffel, helemaal naakt
zijn mond vol helemse klanken,
kijkt naar het meisje; het speelt
een zacht en afwezig wijsje.
Lief meisje, laat me je jurk
oplichten, zodat ik je kan zien.
Open in mijn oude vingers
de blauwe roos van je buik.

*

Preciosa gooit de tamboerijn neer
en rent zonder stil te houden.
De potige wind achtervolgt haar
zwaaiend met een gloeiend zwaard.

De zee fronst zijn golvenrumoer.
De olijfbomen verbleken.
de fluiten van de schaduw zingen
en de vlakke gong van de sneeuw.

Preciosa, rennen, rennen,
of de groene wind zal je pakken!
Preciosa, rennen, rennen!
Kijk uit van welke kant hij komt!
Een sater van lage sterren
met zijn fonkelende woorden.

*

Preciosa loopt, vol van schrik,
binnen in het hoge huis, waar
de consul  van de Engelsen woont
boven de pijnboomtoppen.

Door haar kreten opgeschrikt
komen drie karabijnsoldaten,
hub zwarte jassen dichtgegespt
en de mutsen over de slapen.

De Engelsman geeft de zigeunerin
een beker met lauwe melk,
en een glas jenever die
Preciosa niet opdrinkt.

En terwijl ze haar avontuur
huilend aan die mensen vertelt,
bijt in de dakbedekking
van leisteen woedend de wind.

 

Twist

Halverwege de bergkloof
flitsen messen uit Albacete,
helder van vijandelijk bloed
als vissen door het water.
Licht hard als een spel kaarten
snijdt uit de groene chaos
opgehitste paarden
en profielen van ruiters.
In de kruin van een olijfboom
wenen twee oude vrouwen.
De stier van het strijdgewoel
klimt langs de rotswanden omhoog.
Zwarte engelen brachten
zakdoeken en sneeuwwater.
Engelen met grote vleugels
van messen uit Albacete.
Juan Antonio van Montilla
rolt dood neer langs de helling,
zijn lichaam bedekt met lelies,
een granaatappel aan zijn slaap.
Nu rijdt hij op een kruis van vuur
op de straatweg van de dood,

*

De rechter en de guardia civil
komen door de olijfgaard.
Weggeglipt bloed kermt er
het stom gezang van een slang.
Heren van de guardia civil;
het is weer het oude verhaal.
Vier Romeinen vonden de dood
en vijf mannen uit Carthago.

*

De gek geworden avond van
vijgebomen en verhitte geluiden
valt in zwijm op de bebloede
dijen van de ruiters.
En zwarte engelen vlogen
in het westen langs de hemel.
Engelen met wapperende lokken
en harten van olijfolie.

 

Slaapwandelende ballade

Groen wat houd ik van je groen.
Groene wind. Groene takken.
Op de golven het schip
en het paard in het bergland.
Met het donker om haar middel
droomt zij op haar veranda,
groene huid, de haren groen,
met ogen van koud platina.
Groen wat houd ik van je groen.
onder de zigeunermaan,
daar kijken de dingen haar aan
terwijl zij hen niet zien kan.

*

Groen wat houd ik van je groen.
Grote sterren van rijp
komen met de vis van het donker
die de weg baant van de morgen.
De vijgeboom schurkt de wind
met de huid van zijn takken,
en de berg, de stiekeme kater,
zet zijn scherpe agaven op.
Maar: Wie komt er? En langs welke weg…?
Zij blijft op haar veranda,
groene wind, de haren groen,
dromend van de bittere zee.

*

Beste vriend, ik wil met je ruilen
mijn paard voor jouw woning,
mijn zadel voor jouw spiegel,
mijn mes voor jouw wollen deken.
Beste vriend, overal bloedend kom ik
van de bergpassen van Cabra.
Als ik zou kunnen, mijn jongen,
was die koop al bezegeld.
Maar ik ben niet meer ik,
en mijn huis is mijn huis niet meer.

Beste vriend, ik wil graag sterven
zoals het hoort in mijn bed.
Een van ijzer, als het zijn kan,
met fijne lakens uit Holland.
Zie je de wond niet die ik heb
van mijn borst tot aan mijn hals?
Driehonderd donkere rozen
draag je op je witte hemd.
Je bloed dat drupt en geurt
vlucht rondom uit je sjerp.
Maar ik ben niet meer ik,
en mijn huis is mijn huis niet meer.
Laat me dan tenminste naar boven
op de hoge verandas.
Laat me naar boven gaan! Laat me,
op de groene verandas.
Balustraden van het maanlicht.
Waar ik het water hoor ruisen.

*

Nu gaan de twee vrienden naar boven
naar de hoge veranda.
Achter hen een spoor van bloed.
Achter hen een spoor van tranen.
Daar beefden op de daken
blikken lichtjes van lantarens.
Duizend kristallen tamboerijnen
verwondden de vroege morgen.

*

Groen wat houd ik van je groen,
groene wind, groene takken.
De twee vrienden gingen naar boven.
De ruime wind liet er achter
een vreemde smaak in de mond.
van gal, van munt en bazielkruid.
Beste vriend, zeg me, waar is ze?
Waar is je bittere kind?
Hoe vaak heeft ze op je gewacht.
Hoe vaak op je staan wachten,
koel gezicht, zwarte haren,
op deze groene veranda.

*

Op het gelaat van de waterput
wiegde heen en weer de gitaanse.
Groene huid, de haren groen,
met ogen van koud platina.
Een ijspegel van de maan
ondersteunde haar boven het water.
De nacht werd zo intiem
als een kleine binnenplaats.
dronken guardias civiles
klopten op de straatdeur.
Groen wat houd ik van je groen.
Groene wind. De takken groen.
Op de golven het schip
en het paard in het bergland.

 

Het zigeunernonnetje

Stilte van kalk en mirte.
Malvestruiken in het fijne kruid.
Het nonnetje borduurt violieren
over een goudgele lap.
Er vliegen in de grijze luchter
zeven vogels van het prisma.
De kerk bromt in de verte
als een beer met de buik omhoog.
Wat borduurt ze mooi! Hoe bevallig!
Op de goudgele lap
wilde ze gaan borduren
bloemen van haar fantasie.
Wat een zonnebloem en magnolia
met lovertjes en linten!
Wat een safraan en een manen
op het altaardoek voor de mis!
Vijf grapefruits worden gezoet
in de keuken er vlak naast.
De vijf wonden van Christus
geplukt in Alemera.
Voor de ogen van het nonnetje
galoperen twee ruiters langs.
Een rumoer uiterst ver en dof
doet haar hemd zacht trillen,
en bij het zien van wolken en bergen
in de onbewegelijke verten
komt er een breuk in haar hart
van suiker en van melisse.
Ah, wat een omhoog rijzende vlakte
met twintig zonnen erboven!
Wat een rechtop staande rivieren
ontwaart haar fantasie er!
Maar ze gaat verder met haar bloemen,
terwijl opstaand, in de wind,
het licht een spel schaak speelt
hoog door de jaloezie.

 

De ontrouwe vrouw

En dat ik haar mee naar de rivier nam
gelovend dat ze een meisje was,
terwijl ze thuis een man had.

Het was in de nacht van Sint Jacob
en als gedwongen, zo leek het.
Uit gingen de lichten der lantarens
en het gezang van de krekels stak op.
In de verst afgelegen straathoeken
raakte ik haar slapende borsten
en prompt gingen ze voor me open
zoals hyacintentrossen.
Haar onderjurk krakend van stijfsel
maakte in mijn oren een geluid
alsof het een doek was van zijde
dat door tein messen werd verscheurd.
Zonder zilverschijn in hun kruinen
waren de bomen groter geworden,
en ver van de rivier in het donker
blafte een horizon van honden.

*

Met de braamstruiken achter ons,
de riethalmen en de meidoorns
heb ik onder haar loshangende haren
een bed gemaakt op de aarde.
Ik heb mijn halsdoek afgedaan.
Zij heeft haar jurk uitgetrokken.
Ik mijn ceintuur met revolver.
Zij haar andere kledingstukken.
Geen zeeschelpen en geen tuberozen
hebben een huidje zo fijn,
en geen kristallen blinken er
met zo’n glans in de maneschijn.
Haar dijen ontsnapten me
als vissen die opgeschrikt waren,
de ene helft van gloeiend vuur,
de andere helft van koude.
Deze nacht heb ik gereden
op de beste van alle wegen,
op een merrie van parelmoer
zonder voetbeugels en teugels.

Ik wil, als een man, niet vertellen
de dingen die ze tegen me zei.
Het licht van het begrijpen
maakt dat ik zeer terughoudend ben.
Besmeurd met kussen en met zand
nam ik haar mee terug van de rivier.
Met de lucht streden een gevecht
de zwaarden van de lelies.

Ik gedroeg me als wie ik ben.
Als een oprechte zigeuner.
Ik gaf haar een naaimand cadeau,
een grote van strokleurig satijn,
en ik werd niet verliefd op haar
want terwijl ze een man had
zei ze me dat ze een meisje was
toen ik haar mee naar de rivier nam.

 

Ballade van de zwarte smart

De pikhouwelen van de hanen
graven zoekend naar de morgen,
wanneer langs de donkere bergen
Soledad Montoya omlaag daalt.
Haar huid geelkleurig koper,
ruikt naar paarden en naar schaduw.
Haar borsten, berookte aanbeelden,
kermen hun ronde gezangen.
Soledad, naar wie zoek je
zonder metgezel en op dit uur?
Zoek ik naar wie ik mag zoeken,
zeg me: wat gaat jou dat aan?
Ik ben op zoek naar wat ik zoek
mijn blijdschap en mijn persoon.
Eenzaamheid van mijn verdriet,
een paard dat op hol slaat
vindt aan het eind de zee
en de golven verzwelgen het.
Herinner me niet aan de zee,
want de zwarte smart komt op
in de landen van de olijfbomen
onder het geruis van bladeren.
Soledad, wat een smart heb je!
Wat een beklagenswaardige smart!
Je huilt tranen van citroensap
bitter van smaak en van het wachten.
Zo een enorme smart! Ik loop
rond in mijn huis als een gek,
mijn twee vlechten neer naar de grond,
van mijn keuken naar mijn bed.
Wat een smart! Zo zwart als git
heeft hij mijn huid en kleren gemaakt.
Ach, mijn hemden van linnen!
Ach, mijn dijen van klaprozen!
Soledad, was je lichaam
met water van leeuwerikken,
en laat je hart nu met rust
in vrede, eenzaamheid van de bergen.

*

Daar beneden zingt de rivier;
een wimpel van hemel en bladeren.
Met bloemen van kalebassen
kroont het nieuwe licht zich de haren.
O smart van de zigeuners!
Smart zuiver en altijd eenzaam.
O smart met geheime bedding
en ver verwijderde dageraad.

 

Sint Michael (Granada)

Men ziet hier van de balustraden
langs de berg, de berg, de berg,
muildieren en hun silhouetten
beladen met zonnebloemen.

Hun ogen worden in de schaduw
dof van onmetelijke nacht.
In de bochten van de lucht
kraakt de zilte dageraad.

Een hemel van witte muildieren
sluit de ogen van kwikzilver
en geeft aan de stille schemering
een finale van harten.
En het water wordt ijskoud
opdat niemand het aanraakt.
Het water gek en onbedekt
langs de bergen, de berg, de berg.

*

Sint Michael, vol met kantwerk
in de alkoof van zijn toren,
laat zijn mooie dijen zien
omsloten door de lantarens.

De aartsengel die is getemd
in het gebaar van twaalf uur,
veinst een zachte razernij
van veren en nachtegalen.
Sint Michael zingt in de glazen,
jongeling van drieduizend nachten,
geurend naar eau de cologne
en ver weg van de bloemen.

*

De zee danst langs het strand
een gedicht van balkonnen.
De randen van de maan verliezen
riethalmen, winnen stemmen.
Er komen meisjes uit het volk
op zonnebloempitten kauwend,
de achtersten groot en verborgen
als planeten van koper.

Er komen hoge mijnheren
en dames met een trieste lading
donker door de nostalgie
naar een gisteren van nachtegalen.
En de bisschop van Manilla,
blind van de safraan en arm,
leest een mis met twee scherpten
voor vrouwen en voor mannen.

*

Sint Michael hield zich stil
in de alkoof van zijn toren,
met zijn verstijfde onderrok
vol spiegeltjes en tussenzetsels.

Sint Michael, koning van de koepels
en van de oneven getallen,
in de berberse volmaaktheid
van uitroepen en uitzichten.

 

Sint Rafael (Cordoba)

I.
Dichte koetsen kwamen rijden
tot bij de randen van het riet
waar de golven een naakte
Romeinse torso polijsten.
Koetsen die de guadalquivir
in zijn rijpe kristal vat,
tussen etsen van bloemen
en de weerkaatsing van wolken.
De kinderen weven en zingen
de ontnuchtering van de wereld,
rondom de oude koetsen
verloren in het avondlicht.
Mar Cordoba blijft onbewogen
onder het verward misterie,
want wanneer de schaduw er
het bouwwerk van de nevel opricht,
voltooit een marmeren voetstuk
haar zuivere en droge glans.
bloembladeren van dun tin
bekleden het smetteloze grijs
van de bries die ligt uitgespreid
over de triomfbogen.
En terwijl de brug er tien
geruchten fluistert van Neptunus,
lopen haastige tabaksverkopers
langs de ingevallen muren.

II.
Een vis alleen in het water
dat de twee Cordoba’s verbindt:
het zachte Cordoba van biezen,
het Cordoba van gebouwen.
Jongens met onbewogen gezicht
kleden zich uit op de oever,
leerlingen van Tobias
en Merlijns met een smal middel,
om de vis lastig te vallen
met de ironische vraag
of hij bloemen wil van wijn
of watervallen van de halve maan.

Maar de vis, die het water goud
en de marmerblokken triest maakt,
leert hen een les en het evenwicht
van de alleenstaande pilaar.
De aartsengel half Arabisch
met zijn donkere lovertjes,
zoekt waar de golven samenkomen
naar het gerucht en de wieg.

*

Een vis alleen in het water.
Twee Cordobas van schoonheid.
Cordoba gebroken in de golven.
In de hemel het droge Cordoba.

 

Sint Gabriel (Sevilla)

I.
Een mooie jongen van riet,
brede schouders, een smal middel,
huid van een appel in de nacht,
trieste mond en grote ogen,
zenuwen van gloeiend zilver,
loopt door de verlaten straat.
Zijn schoenen van lakleer
knakken de dahlias van de lucht
met een stem en tegenstem die korte
hemelse rouwklachten zingen.
Langs de over van de zee
is er geen palmboom zoals hij,
geen die keizer gekroond werd
of de zwervende morgenster.
Wanneer zijn hoofd zich buigt
over zijn borst van jaspis,
zoekt de nacht de vlakten af
naar een plaats om neer te knielen.
De gitaren klinken alleen
voor Sint Gabriel de aartsengel,
de temmer van de nachtvlinders
en de vijand van de wilgebomen.
Sint Gabriel: het kindje huilt
in de schoot van zijn moeder.
vergeet niet dat de zigeuners
je je kleed hebben geschonken.

II.
Anunciacion van de Reyes,
vol in het maanlicht en slecht gekleed,
open de deur voor de morgenster
die er aankwam door de straat.
de aarstengel Gabriel,
achterkleinzoon van de Giralda,
kwam om een bezoek te brengen
tussen witte lelies en een glimlach.
In zijn vest van borduurwerk
trilden verborgen krekels.
De sterren van de nacht
veranderden in fijne klokken.

Sint Gabriel: hier sta ik
met drie nagels van blijdschap.
Je glans doet jasmijnen bloeien
op mijn gelaat dat in brand staat.
God zegene je, Anunciacion,
donker van het grote wonder.
Je zult een kind krijgen mooier
dan de loten van de wind.
Ach, Sint Gabriel van mijn ogen!
Lieve Gabriel van mijn leven!
Ik droom voor je om in te zitten
een armstoel van fijne anjers.
God zegene je, Anunciacion,
vol in het maanlicht en slecht gekleed.
Je zoon zal op zijn borst en
moedervlek en drie wonden hebben.
Ach, Sint Gabriel wat straal je!
Lieve Gabriel van mijn leven!
Op de bodem van mijn borsten
voel ik de lauwe melk al springen.
God zegene je, Anunciacion.
Moeder van honderd vorstenhuizen.
Droog glinsteren je ogen,
landen bekend om hun ruiters.

Het kindje zingt in de schoot
van de verraste Anunciacion.
Drie pitten van groene amandels
trillen in zijn stemmetje.

Daar ging Sint Gabriel in de lucht
over een lange trap omhoog.
Al de sterren van de nacht
veranderden in strobloemen.

 

Arrestatie van de kleine Antonio el Camborio
op de weg naar Sevilla

Antonio Torres Heredia,
zoon en kleinzoon van de Camborio’s,
met een wilgestokje gaat hij
naar Sevilla om de stieren te zien.
Donker van de groene maan,
loopt hij langzaam en bevallig.
Zijn staalblauwe lokken
schitteren tussen zijn ogen.
Op de helft van de weg heeft hij
ronde lemoenen afgesneden,
en die gooide hij in het water
totdat het helemaal van goud was.
En op de helft van de weg,
onder de takken van een olm,
heeft de politie van de straatweg
hem bij de ellebogen opgebracht.

*

De dag gaat langzaam naar zijn eind,
de middag hangend over een schouder,
een weids stierevechtersgebaar
makend over de zee en stromen.
De olijfbomen wachten
op de nacht van de Steenbok,
en een korte bries, te paard,
springt over de bergen van lood.
Antonio Torres Heredia,
zoon en kleinzoon van de Camborio’s
komt zonder zijn wilgestokje
tussen de vijf driekantsteken.

Antonio, wie ben je?
Als je naam Camborio was,
zou je een fontein hebben gemaakt
van bloed met vijf wilde stromen.
Jij bent de zoon van niemand
en geen echte Camborio.
De zigeuners zijn verdwenen
die alleen door de bergen zwierven.
De oude messen liggen nu
te huiveren onder het stof.

*

Om negenen in de avond
brengen ze hem naar de kerker,
terwijl de guardias civiles
met elkaar limonade drinken.
En om negenen in de avond
sluiten ze hem op in de kerker,
terwijl de hemel oplicht
als het kruis van een veulen.

Dood van de kleine Antonio el Camborio

Stemmen van de dood klonken op
vlakbij de Guadalquivir.
Oude stemmen omsluiten er
de stem van een mannelijke anjelier.
Hij nagelde over hun laarzen
beten van een everzwijn.
Bij het gevecht maakte hij sprongen
zo ongrijpbaar als een dolfijn.
Hij drenkt in het bloed van zijn vijand
zijn halsdoek van karmozijn,
maar vier ze waren met vier dolken
en hij moest wel bezwijken.
Wanneer de sterren lansen
in het grijze water nagelen,
wanneer de stierkalveren dromen
veronica’s van violieren,
stijgen stemmen van de dood op
vlakbij de Guaddalquivir.

*

Antonio Torres Heredia,
Camborio met ruige manen,
donker van de groene maan,
een stem van een mannelijke anjelier
Wie heeft je leven genomen
vlakbij de Guadalquivir?
Mijn vier neven, de Heredia’s,
de zonen van Benameji.
Wat ze anderen niet misgunden,
dat hebben ze mij wel misgund.
Mijn ivoren medaillons,
schoenen de kleur van rozijnen,
en deze huid die is gemasseerd
met olijven en met jasmijn.
Ach, Antoñito el Camborio,
een keizerin ben je waardig!
Denk aan de heilige Maagd
want je gaat nu sterven.
Ach, Federico Garca,
roep om de guardia civil!
Mijn middel is al gebroken
als een stengel van de mais.

*

Drie gulpen van bloed gaf hij
en hij stierf in profiel.
Een levend muntstuk dat niet weer
opnieuw zal worden geslagen.
Een zwierige engel legt
zijn hoofd neer op en kussen.
Anderen met vermoeide blos
staken een olielamp aan.
En wanneer de vier neven
bij Benamejî’s huis aankomen,
verstommen de stemmen van de dood
vlakbij de Guadalquivir.

 

Dood door liefde

Wat is dat, wat daar oplicht
door het huis zijn hoge gangen?
Doe de deur dicht, mijn jongen;
net wordt er elf uur geslagen.
In mijn ogen schijnen zonder
het te willen, vier lantarens.
Misschien dat die mensen daar
het koper aan het poetsen zijn.

*

Zieltogend zilveren knoflook
de afnemende maan, zet
pruiken van lang geel haar
bovenop de gele torens.
De nacht roept angstig bevend
in het kristal van de balkonnen,
achtervolgd door de duizend
honden die haar niet herkennen,
en een geur van wijn en amber
komt van de hoge gangen.

*

Windvlagen van vochtig riet en
gefluister van oude stemmen
weergalmden langs de gebroken
boog van het middernachtelijk uur.
Ossen en rozen sliepen.
Alleen door de hoge gangen
riepen nog de vier lichten
met de woede van Sint Joris.
Bedroefde vrouwen uit het dal
lieten hun mannelijk bloed neer,
het stille van een afgesneden bloem
en bittere van een jonge dij.
Oude vrouwen van de rivier
weenden aan de voet van de berg
een niet voorbijgaande minuut
van haarvlechten en namen.

Voorgevels van kalk maakten
de nacht wit en vierkant.
Serafijnen en zigeuners
speelden op de accordeons.
Moeder, wanneer ik dood ga
laat iedereen het dan horen.
Stuur blauwe telegrammen
van het Zuiden tot het Noorden.
Zeven kreten, zeven gulpen bloed,
zeven dubbele papavers,
braken duistere manen
in de sombere salonnen.
Vol met afgesneden handen
en met kronen van bloemen,
weerklonk de zee van vloeken,
ik weet niet waarvandaan.
En de hemel sloeg zijn deuren
bij het bruusk rumoer van de bomen,
terwijl de lichten riepen
in de hoge gangen.

 

Ballade van de gedaagde

O mijn eenzaamheid zonder rust!
De kleine ogen van mijn lichaam
en de grote van mijn paard
gaan niet dicht de hele nacht
en kijken niet de andere kant uit
waar zich in stilte verwijdert
een droom van dertien schepen.
Inplaats daarvan kijken mijn ogen,
heldere en stoere, wakkere
schildknapen, naar een noorden
van metalen en van rotsen,
waar mijn lichaam zonder aders
bevroren speelkaarten raadpleegt.

*

De gedrongen ossen van het water
storten zich op de jongens
die zich baden in de maansikkels
van hun gekrulde horens.
En de hamers zongen op de
slaapwandelende aambeelden
van de slapeloosheid van de ruiter
en de slapeloosheid van het paard.

*

De vijfentwintigste juni
vertelden ze aan Amargo:
Nu kun je afknippen, als je wilt,
de oleanders van je hof.
Schilder een kruis op je deur
en zet je naam eronder,
want waterscheerling en brandnetels
zullen uit je zijden groeien.
En naalden van vochtige kalk
zullen in je schoenen bijten.
Het zal nacht zijn, in het donker,
door de magnetische bergen,
waar de ossen van het water
drinken uit het dromende riet.

Vraag om licht en om klokken.
Leer om je handen te vouwen
en proef de koude luchtstromen
van metalen en van rotsen.
Want binnen de twee maanden
zul je in je doodskleed liggen.

*

Een zwaard van nevelflarden
beweegt Sint Jacob in de lucht.
Over de schouder welde, zwaar,
stilte, de kromme van de hemel.

*

De vijfentwintigste juni
gingen de Bittere de ogen open,
en de vijfentwintigste augustus
legde hij zich neer en sloot ze.
Mannen daalden de straat af
om te kijken naar de gedaagde,
die vasthechtte tegen de muur
zijn eenzaamheid zonder rust.
En het smetteloze laken
met zijn hard Romeins accent,
gaf een evenwicht aan de dood
met de strakheid van zijn plooien.

 

Ballade van de Spaanse Guardia Civil

Zwart als git zijn de paarden.
De hoefijzers zijn zwart.
Op hun mantels glimmen
vlekken van inkt en van was.
Ze hebben, daarom wenen ze nooit,
harde schedels van lood.
Met een hart van lakleer
komen ze over de straatweg.
Gebocheld en als de nacht,
bevelen ze waar ze verschijnen
stilten van donker gummi
en angsten van fijn zand.
Zij gaan langs, waar zij willen gaan,
en verbergen in hun hoofden
een vage astronomie
van ongrijpbare pistolen.

*

O stad van de zigeuners!
Op de straathoeken vlaggen.
De maan en de kalebas
met de morellen op sap.
O stad van de zigeuners!
Wie zag je en kan je vergeten?
Stad van droefheid en muskus
met je torens van kaneel.

*

Toen de nacht er inviel,
nacht die nacht verduisterde,
smeedden in hun smederijen
de zigeuners zonnen en pijlen.
Een paard dat zwaar gewond was
bonsde tegen alle deuren.
Hanen van glas kraaiden
door Jerez de la Frontera.
De wind komt naakt aanwaaien
om de hoek van de verbazing,
in de nacht, de platinanacht,
nacht die nacht verduisterde.

*

De Heilige Maagd en Sint Jozef
hebben hun castagnetten verloren
en zijn op zoek naar de zigeuners,
of zij ze weten te vinden.
De Heilige Maagd gaat gekleed
als een burgemeestersvrouw
in een kleed van chocoladepapier
met halssnoeren van amandels.
Sint Jozef beweegt zijn armen
onder een mantel van zijde.
Daarachter loopt Pedro Domecq
met drie Perzische sultans.
De halve maan droomde er
een extase van een ooievaar.
Banieren en lantarens
overstromen de dakterrassen.
En door de spiegels snikken
danseressen zonder heupen.
Water en schaduw, schaduw en water
door Jerez de la Frontera.

*

O stad van de zigeuners!
Op de straathoeken vlaggen.
Doof uit je groene lichten
de prinsemarij is in aantocht.
O stad van de zigeuners!
Wie zag je en kan je vergeten?
Laat haar achter ver van de zee
zonder kammen voor haar kapsel.

*

Ze rukken op in rijen van twee
naar de stad van het feestgewoel.
Een geritsel van strobloemen
dringt binnen in de patroontassen.
Ze rukken op in rijen van twee.
Dubbele nocturne van zwarte stof.
De hemel verschijnt voor hun ogen
als een uitstalraam van sporen.

*

De stad, vrij van alle vrees,
heeft haar poorten vermenigvuldigd.
Veertig guardias civiles
dringen er in stormloop door binnen.
De klokken bleven stilstaan
en de cognac in de flessen
zette een gezicht op van november
om geen verdenking te wekken.
Een vlucht van gerekte kreten
stond op in de windwijzers.
De sabels snijden door de briezen
die de hoeven vertrappelen.
Door de schemerende straten
vluchten de oude zigeunerinnen
met hun slaperige paarden
en hun potten vol met centen.
Door de hoge steile straten
klimmen de sinistere mantels
achter zich latend vluchtige
wervelwinden van schragen.

In de portiek van Bethlehem
komen de zigeuners tesamen.
Sint Jozef, vol met wonden,
bedekt een meisje met zijn mantel.
Hardnekkige schrille geweren
klinken de hele nacht door.
De Heilige Maagd geneest kinderen
met speeksel van de sterren.
Maar de guardia civil rukt op
vuren om zich heen zaaiend
waarin de verbeelding, jong
en naakt, in vlammen opgaat.
Rosa van de Camborio’s
kreunt zittend in haar straatdeur
met haar twee borsten afgesneden
voor haar op een presenteerblad.
En andere meisjes rennen
achtervolgd door hun vlechten
in een lucht waarin rozen
van zwart buskruit openbarsten.
Toen al de pannedaken
voren waren in de aarde
schudde de morgen zijn schouders
in een wijds profiel van steen.

*

O, stad van de zigeuners!
De guardia civil trekt zich terug
door een tunnel van stilte
terwijl de vlammen je omringen.

O, stad van de zigeuners!
Wie zag je en kan je vergeten?
Dat ze je zoeken in mijn hoofd.
Spel van maanlicht en van zand.

 

DRIE HISTORISCHE BALLADES

Marteldood van de Heilige Eulalia

I.
Panorama van Mrida

Door de straat rent steigerend
een paard met een lange staart,
terwijl oude Romeinse
soldaten dobbelen of slapen.
Een heuvel van Minerva’s
spreidt de bladerloze armen.
Zwevend water verguldde
de hoeken van de rotsen.
Een nacht van liggende torso’s
en sterren met gebroken neus
wacht op scheuren van de ochtend
om volledig in te storten.
Van tijd tot tijd weerklonken
er vloeken met rode kruin.
In haar kernen breekt het heilig kind
het kristal van de drinkbekers.
Het draaiwiel slijpt messen
en haken met scherpe bochten.
De stier van het aanbeeld brult
en Mrida omkroont de slapen
met bijna ontwaakte tuberozen
en takken van bramenstruiken.

II.
De marteldood

De naakte Flora klimt omhoog
over trappetjes van water.
De consul vraagt een dienblad
voor de borsten van Eulalia.
Een straal van groene aders
komt naar buiten uit haar hals.
Haar geslacht siddert als een
vogel in de struiken verstrikt.
Over de grond kronkelen, nu
zinloos, haar afgehakte handen,
die zich nog gevouwen houden
in een zacht onthoofd gebed.

Door de rode gaten
waar eerst haar borsten waren
zijn kleine hemels zichtbaar
en beken van witte melk.
Duizend kleine bomen van bloed
overdekken haar hele rug
en houden vochtige stammen
voor het ontleedmes van de vlammen.
gele honderdmannen met een
grijze huid van het waken
komen aan de hemel kletterend
met hun wapenrusting van zilver.
En terwijl een verwarde hartstocht
van manen en zwarden trilt,
draagt de Consul op zijn dienblad
de dampende borsten van Eulalia.

III.
Hel en zaligheid

Stil ligt golvenden sneeuw.
Eulalia hangt aan een boom.
Haar naaktheid van houtskool
geeft af aan de bevroren lucht.
De strak gespannen nacht schittert.
Eulalia dood in de boom.
Inktpotten van de steden
gieten langzaam hun inkt uit.
Zwarte kleermakerspoppen
bedekken de sneeuw van het veld
in lange rijen en zuchten
in hun verminkte stilte.
Weer begint de onderbroken sneeuw.
Eulalia wit in de boom.
Eskaders van nikkel verenigen
hun pieken in haar zijde.

Een monstrans schittert op
over de verzengde hemel,
tussen kelen van een bergstroom
en nachtegalen in boomtakken.
Ramen van gekleurd glas springen!
Eulalia wit in het wit.
Engelen en serafijnen
zeggen: Heilig, Heilig, Heilig..

 

Klucht van Don Pedro te paard
Ballade met gaten

Over een smal pad
kwam Don Pedro eraan.
Ach, hoe weende toch
de ridder!
Rijdens op een vlug
paard zonder teugel,
kwam hij op zoek naar
brood en naar kussen.
Al de vensters
ondervragen de wind
over de donkere klacht
van de ridder.

Eerste gat

Onder het water
gaan de woorden verder.
Boven het water
een ronde maan
die zich baadt,
en afgunst wekt bij de andere,
zo hoog!
Op de oever,
een jongen
ziet de manen zegt:
Nacht, sla je bekkens!

Vervolg

In een stad ver weg
is Don Pedro aangekomen.
Een stad van goud in een
bos van cederbomen.
Is het Bethelehem? In de lucht
salie en rozemarijn.
Dakterassen en wolken
schitteren. Don Pedro
komt door gebroken bogen.
Twee vrouwen en een oude man
met olielampen van zilver
komen hem tegemoet.
De peppels zeggen: Nee.
En de nachtegaal: We zullen zien.

Tweede gat

Onder het water
gaan de woorden verder.
Boven het kapsel van het water
een cirkel van vogels en vlammen.
En in de rietvelden,
getuigen die weten wat er eindigt.
Een droom hard en zonder noorden
van het hout van een gitaar.

Vervolg

Langs de vlakke weg gaan
twee vrouwen en een oude man
met olielampen van zilver
naar het kerkhof.
Tussen de safraanplanten
hebben ze dood gevonden
het donkere paard van Don Pedro.
Een geheime stem van de middag
blaatte langs de hemel.
Een eenhoorn van afwezigheid
breekt in het kristal zijn hoorn.
De grote verre stad
ligt daar in vlammen,
en een man gaat wenend
het binnenland in.
In het Noorden staat een ster.
in het Zuiden een matroos.

Laatste gat

Onder het water
daar zijn de woorden.
Slijk van verloren stemmen.
Boven de verkilde bloem
zit Don Pedro vergeten,
ach, en speelt met de kikkers.

 

Thamar en Amnon

De maan keert in de hemel
boven de landen zonder water,
terwijl de zomer geluiden
zaait van tijgers en vlammen.
Langs de toppen van de daken
weerklonken zenuwen van metaal.
Gekrulde lucht kwam eraan
met het geblaat van wol.
De aarde ligt er plotseling bedekt
met littekens van wonden,
of huiverend van felle
verbrandingen van witte lichten.

*

Thamar stond daar en droomde
vogels achter in haar keel,
bij de klank van koude tamboerijnen
en maanovergoten citers.
Haar naaktheid op de dakrand,
scherpe noordpool van een palm,
vroeg om sneeuwvlokken op haar buik
en hagel op haar schouders.
Thamar stond daar en zong
naakt over het terras.
Om haar voeten lagen
vijf bevroren duiven.
Amnon, mager en grijpbaar,
staarde naar haar in de toren,
zijn liezen vol met schuim en
zijn baard vol trillingen.
Zijn helverlichte naaktheid
strekte zich uit op het terras
met een geluid tussen zijn tanden
van een pijl die het doel treft.
Amnon lag te staren
naar de ronde en lage maan
en zag in de maan de stevige
harde borsten van zijn zuster.

*

Toen het half vier was, heeft Amnon
zich uitgestrekt op zijn bed.
Heel zijn slaapvertrek leed
met zijn ogen vol met vleugels.
Het licht, hard en scherp, begraaft
dorpen onder het bruine zand,
of onthult vergankelijk
koraal van rozen en dahlia’s.
Onderdrukt water uit een bron
ontkiemt stilte in de kruiken.
In het mos van de stammen
zingt de uitgestrekte cobra.

Amnon ligt kreunend tussen de
frisse lakens van zijn bed.
Klimop van koude rillingen
bedekt zijn verzengde lichaam.
Thamar kwam stilletjes binnen
in het verstilde slaapvertrek,
de kleur van aders en de Donau,
troebel van ver verwijderde sporen.
Thamar, wis mijn ogen uit
met jouw zekere dageraad.
Mijn bloed weeft met zijn draden
stroken over je rok.
Laat me met rust, broer.
Jouw kussen in mijn nek
zijn wespen en zuchtjes wind
in een dubbele zwerm van fluiten.
Thamar, in je hoge borsten
zijn twee vissen die me roepen,
en in de knoppen van je vingers
fluistert een ingesloten roos.

*

De honderd paarden van de koning
hinnikten op het binnenhof.
Zon in vierkanten weerstreefde
de rankheid van de wingerd.
Nu grijpt hij haar bij haar haren,
nu rukt hij haar haar hemd af.
Warme koralen tekenen
bergstromen op een blonde kaart.

*

O, wat een kreten werden gehoord
boven de daken van de huizen!
Wat een opeenhoping van dolken
en kapotgescheurde klaren.
Over de droevige trappen
gaan slaven omhoog en omlaag.
Zuiger en dijen spelen
onder de stilstaande wolken.
in een kring rond Thama heen
schreien zigeunermaagden
en anderen verzamelen de druppels
van haar gemartelde bloem.
Witte doeken kleuren rood
in de gesloten slaapvertrekken.
Geluiden van de warme dageraad
ruilen wijnranken en vissen.

*

Amnon vlucht op zijn pony,
een in een furie ontstoken verkrachter.
Negers richten hun pijlen op hem
op de muren en wachttorens.
En toen de vier hoeven nog
slechts vier weergalmen waren,
knipte David met een schaar
de snaren van zijn harp door.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *