stap voor stap

      Het-woorden leren stap voor stap

 

            De-woorden zijn gewoon – geef extra aandacht aan het-woorden

Geef speciale aandacht aan het-woorden. Kijk: welke naamwoorden hebben ‘het’.
Bedenk: er zijn veel minder naamwoorden met ‘het’. Naamwoorden met het zijn speciaal.
(Naamwoorden met de zijn gewoon. Je hoeft ze geen extra aandacht te geven.)

       Wat je kunt doen…

1.         Let op: welke naamwoorden hebben ‘het’?

1a       Bij het leren van nieuwe woorden: Kijk welke naamwoorden hebben ‘het’. !!!

Andere mogelijkheden:

1b.      Bij het lezen: Kijk bij het lezen welke naamwoorden hebben ‘het’.

1c.      Zoek het-woorden:

  • thematisch: kijk naar dingen om je heen: welke woorden zijn het-woorden

            bijvoorbeeld: in de klas, thuis, in de keuken, bij het eten, in de winkel, op straat, de tijd, etc.

  • kijk naar de woorden die je (veel) gebruikt: welke woorden hebben het?

 

 

     Geef het-woorden speciale aandacht

2.     Maak lijstjes met het-woorden
Bijvoorbeeld:

  • lijstjes met nieuwe het-woorden die je leert.
  • thematische lijstjes met het-woorden: het-woorden op school, thuis, op straat, etc.
    Klik hier voor een blad over het zoeken van het-woorden op school, thuis, op straat, etc.
  • het-woorden die belangrijk voor je zijn, het-woorden die je veel gebruikt.

3.     Doe kleine oefeningen met de het-woorden

Stap 1            Maak vragen en zinnen met de het-woorden. Gebruik het, dit en dat.
Voorbeeld:     Waar is het boek? – Het boek is in de kast.
Wanneer is het feest? – Het feest is zaterdag.
Wat is het adres? – Het adres is………………
Hoe vind je dat huis – Ik vind dat huis mooi.
Ik vind dit boek mooier dan dat boek.

Stap 2           Maak vragen en zinnen met welk, elk, ieder, ons.
Voorbeeld:     Welk huis vind je mooi? – Ik vind ons huis mooi.
Welk feest vind je leuk? – Ik vind elk / ieder feest leuk.

Stap 1 en 2 combineren kan ook – bijvoorbeeld: Welk huis vind je mooi? Dit huis of dat huis?

Stap 3           Maak zinnen met het het-woord met een + adjectief.
Voorbeeld:     Het huis    –  Is het een mooi huis? Ja, het is een mooi huis, maar geen groot huis.
Het jaar     –  Is het een warm jaar of een koud jaar? Het is een warm jaar.
Het water  –  Is het warm water? Het is warm water maar wel vies water.

Voor het pdf-blad  Wat is anders bij het-woorden klik hier.

Voor een pdf-blad over het adjectief bij naamwoorden met -e en zonder -e klik hier.

 

Van sommige het-woorden en de-woorden kun je leren
of ze het-woorden of de-woorden zijn

4.  Leer: welke naamwoorden altijd het-woord zijn.

Het belangrijkst zijn:
1.   verkleinwoorden (met –je): het huisje, het kindje, het meisje, het tafeltje ……….
Alle verkleinwoorden hebben het!
2.   werkwoorden: alle infinitieven zijn een naamwoord met het:
bijvoorbeeld: het lopen, het dansen, het werken, het zwemmen, het leven, het eten, het drinken
3.  
naamwoorden met ge-, be-, ver- en ont– + een woordstam:
bijvoorbeeld: het gezicht, het getal, het geluk, het bezoek, het bedrag, het verhaal, het verstand, het ontbijt, het ontslag
4.   naamwoorden gemaakt van een adjectief
•   
naamwoorden van een adjectief + -e: het goede, het nieuwe, het leuke, het treurige
•    naamwoorden van een adjectief + -s: het nieuws, het moois, het lekkers, het leuks
•   
naamwoorden van alleen adjectief: het goed, het kwaad, het wit, het zwart, het zoet

En verder:
5.   namen van talen, van landen, provincies en plaatsen, voor kleuren en metalen, voor sporten en spelen en voor windrichtingen
bijvoorbeeld: het Nederlands, het Engels, het Arabisch, het wit, het zwart, het groen, het goud, het ijzer, het platina, het voetbal, het tennis, het schaak, het noorden (bij namen van landen, provincies en plaatsen zeggen we bijvoorbeeld: ons Nederland, ons Limburg, ons Amsterdam)
6.   naamwoorden die eindigen metisme, -um, -sel, -ment en -asme
bijvoorbeeld: het idealisme, het optimisme, het terrorisme, het centrum, het museum, het deksel, het voedsel, het kapsel, het moment, het argument, het document, het enthousiasme, het sarcasme

Klik hier voor een pdf-document over welke naamwoorden altijd het-woorden zijn.

4a.      Kijk ook welke naamwoorden altijd de hebben.
Klik hier voor een pdf-document over welke naamwoorden altijd de-woorden zijn.

 

Voor een pdf-document over het Stap voor stap leren van het-woorden klik hier.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *