tips

      Tips bij het leren van een taal.      –      Hoe leer je?

           Woorden     –     Luisteren     –     Lezen     –     Spreken     –     Schrijven    –     Grammatica

 

        Woorden leren

Woorden leren is belangrijk als je een taal leert. Zonder woorden kun je niks zeggen.

Belangrijk voor het leren van woorden is:
Leer nooit losse woorden (of rijtjes woorden). Want losse woorden in rijtjes leren is een goede manier om te leren vergeten. Denk maar aan de school vroeger.

• Maar leer woorden in een zin, in een ‘context’.
Dus niet: morgen betekent tomorrow of morgen, mañana, demain, domani ….
Maar bijvoorbeeld: “Ik kan vandaag niet komen. Morgen kan ik wel.”
• Leer woorden samen met andere woorden die erbij horen.
Bijvoorbeeld: morgen, vandaag, gisteren, overmorgen, morgenmiddag, morgenochtend,
morgenavond
….
• Je leert woorden beter als ze iets voor je betekenen. Dus leer de woorden het liefst met voorbeelden die iets voor je betekenen.

Zo kunnen woorden beter een plekje vinden in onze hersenen. En zo kunnen we ze ook makkelijker terugvinden.
Om op deze manier taal te leren heb ik een Woorden-leer-blad gemaakt. Je kunt het downloaden door hier te klikken.

Welke woorden moet je leren? Welke woorden zijn belangrijk?
Leer woorden van dingen om je heen. Woorden die je weinig gebruikt zijn minder belangrijk dan woorden die je vaak gebruikt.
Leer woorden die nuttig voor je zijn, woorden die je nodig hebt.

Hoeveel woorden moet je kennen?
Dat hangt af van je taalniveau. Om een tekst op niveau A1 te begrijpen moet je 1000 woorden kennen. Voor een tekst op niveau A2 heb je 2000 woorden nodig. Om een tekst op niveau B1 goed te kunnen lezen moet je 5000 woorden kennen. En voor een tekst op niveau B2 heb je ±10.000 woorden nodig.
Is dat veel? Een Nederlands kind van elf jaar kent gemiddeld 10.500 woorden. Maar er is iets interessants. Wie al veel woorden kent leert sneller en makkelijker meer woorden. Nog preciezer wie rond de 7000 woorden kent, gaat sneller woorden leren.
Dat gebeurt ook met kinderen tussen hun tiende en elfde jaar. Op hun tiende kennen kinderen gemiddeld ongeveer 7.800 woorden. Een jaar later is dat 10.5000 woorden geworden.

Om een idee te krijgen zijn er woordenlijsten met de meest frequente woorden van het Nederlands.
• Woordenlijst met de 2000 meest frequente woorden. Klik hier om te downloaden.
• Woordenlijst met frequente woorden van 2000 tot 5000. Klik hier om te downloaden.


Een goede manier om woorden te leren:
NT2 Nieuwslezer

Lezen is een goede manier om woorden te leren.
Daarom hier een tip om (sneller) woorden te leren door te lezen, met de NT2 Nieuwslezer op internet.
Misschien is het wel de beste methode die er is. Het kost alleen een beetje geld (maar het is niet heel duur.)
De Nt2 Nieuwslezer geeft je nieuwsteksten die al op internet staan te lezen op jouw eigen niveau.
Bijvoorbeeld van kranten en nieuwssites. Elke dag een kwartier bijvoorbeeld. (Langer mag ook.)
Als je je inschrijft moet je eerst een toetsje doen om te kijken wat je niveau is.
Als je niveau hoger wordt krijg je ook wat moeilijker teksten.
Ik geef deze tip omdat ik denk dat het een heel goede manier van woorden leren is.
Je kunt je inschrijven op de Nieuwslezer via: http://www.nt2.nl/methode/13/Nieuwslezer

Lezen is een goede manier om veel woorden te leren.
Maar alleen lezen is niet genoeg. Om woorden te leren moet je ook iets doen: je moet de woorden te gebruiken.
Zonder de woorden te gebruiken gaan ze niet echt voor je leven. Je kunt ze dan niet goed vinden als je ze nodig hebt.
Woorden leren is een werk.

Schooltaal en vaktaal
Een speciaal probleem is wat we noemen de schooltaal en ook de gemeentehuistaal.
Dat zijn woorden die veel in geschreven taal voorkomen maar niet zoveel in gesproken taal. Woorden als: gevolg, functie, synoniem, of betreffende, aangaande, doch …. Schooltaalwoorden zijn nodig om op school mee te kunnen. Gemeentehuistaal kom je veel tegen in formele teksten. De laatste jaren is er vooral voor schooltaalwoorden meer aandacht. Sites met oefenprogramma’s met schooltaalwoorden staan op de pagina ‘links’.

Een andere soort woorden die belangrijk zijn, zijn de vaktaalwoorden: woorden die je nodig hebt op je werk. Ook hiervoor is tegenwoordig meer aandacht. Voorbeelden van vaktaalwoordenlijsten staan op de pagina ‘links’.

Het woordenboek

Voor het leren van woorden is gebruiken van een woordenboek belangrijk.
Woordenboeken die je hierbij goed kunt gebruiken zijn:
• het Van Dale Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal (NT2)
• Van Dale Basiswoordenboek van de Nederlandse taal, van Monique Huijgen & Marja Verburg
In deze woordenboek vind je behalve een beschrijving van de betekenis van woorden ook altijd voorbeeldzinnen met de woorden.
Ook laten deze woordenboeken zien wat de verschillende vormen van een woord zijn:
bij een (zelfstandig) naamwoord staat of het ‘de’ heeft of ‘het’ en wat het meervoud is,
bij een werkwoord staan de verleden tijd en het voltooid deelwoord, bij andere woorden staat wat voor soort woord het is. Hier is als voorbeeld een fragment uit het Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal.

fragment pocketwoordenboek NT2

Het is belangrijk bij het woorden leren om een woordenboek te kunnen gebruiken.
Om te oefenen met het gebruiken van een woordenboek is er het oefenprogramma Werken met het woordenboek. Je kunt hier de cursistenversie downloaden.
(Voor docenten is hier een docentenversie, horend bij het Handboek NT2, hoofdstuk 5.)

 

           Luisteren

Beter luisteren gaat door veel luisteren. (Let op: je moet natuurlijk wel de woorden kennen.)
Het is goed om nog eens en nog eens en nog eens hetzelfde te luisteren.

Door te luisteren leer je de woorden horen, je leert om te horen wat bij elkaar hoort (de zin). In het begin hoor je alleen maar dingen als ‘wababrozomedie’, je hoort alles aan elkaar vast.

Luisteren is oefenen om te horen wat je hoort.
Door te luisteren leer je ook te horen hoe iets klinkt en hoe je iets kunt zeggen, bijvoorbeeld de uitspraak.

Vraag naar de woorden die je niet kent.
Als je veel woorden niet kent, kun je niet goed luisteren. Dan is het gewoon te moeilijk.
Je moet luisteren oefenen met teksten die niet te moeilijk zijn. (Ze moeten net iets moeilijker zijn dan het niveau dat je al hebt.)

Tip: als je begint met naar iets te luisteren, begin dan met te luisteren welke woorden of stukjes zin je (her)kent.  Schrijf ze op. Liefst in de volgorde waarin je ze hoort. Langzaamaan zul je na meer keer luisteren meer gaan horen.

Luister zo veel als je kunt. Luister naar de tv.
Heel goed is te luisteren naar luisterteksten die zijn ondertiteld.
Of lees de teksten tegelijk met het luisteren.

 

         Lezen

Lezen helpt om taal te leren.
Door te lezen leer je woorden. Door te lezen leer je veel zinnen,
Je kunt de taal voor je ogen zien. Je kunt de woorden goed zien. De woorden staan los van elkaar. Je kunt de zinnen zien.
Met luisteren is dat niet zo.

Alleen door lezen en luisteren kun je taal leren. (Net als baby’s!)
Met spreken en schrijven oefen je om de taal te gebruiken.

Er zijn boekjes om te lezen op alle niveaus. Vraag er naar bij de bibliotheek.
Zowel verhaaltjesboeken als informatieve boeken.

Lees dingen die je leuk vindt. (Bijvoorbeeld over je hobby’s.)

Lees, lees, lees … en lees.

 

         Schrijven

Door te schrijven leer je de taal gebruiken.
Bij het schrijven kun je goed nadenken hoe je iets zegt en schrijft.

Bij het schrijven kun je je problemen goed zien: de fouten. Dat is soms eng.
Maar je kunt er ook goed van leren. Fouten zijn om van te leren.

Met schrijven oefen je ook de regels van de spelling: hoe schrijf je wat je hoort.
Welke letters gebruik je als je iets hoort.

Met schrijven oefen je ook de regels van de taal. Hoe kun je schrijven wat je wilt zeggen.
Hoe zeg je dat in een goede zin.

Met schrijven heb je goed de tijd om na te denken over wat je doet en over hoe het moet.
Dat kun je gebruiken bij het leren.

Wees niet bang voor fouten. Het is goed veel te oefenen met schrijven. Oefen door zinnen te schrijven. Dan oefen je ook de regels van de taal.
Door te schrijven kun je je ook goed bewust worden van hoe je iets zegt.
Van fouten kun je leren. Wees niet bang om fouten te maken.

Door te schrijven maak je je dingen bewust. En je zet ze vast in je hersenen.

Tip: schrijf dingen die je leuk vindt. Het leren wordt dan leuker.
Maar dingen die je interesse hebben, vinden ook eerder een plaats in je hersenen.

 

         Spreken

Spreken is voor veel mensen moeilijker dan schrijven. Spreken gaat vlug. Je kunt niet lang nadenken.
Spreken doe je altijd tegen iemand. Fouten maken kan dan enger zijn.

Spreken is belangrijk. Je leert door te spreken de taal te gebruiken. Spreek veel. Oefen het spreken.

(Maar spreken kan ook makkelijker zijn: je hoeft niet lang en veel na te denken, je hoeft niet te denken over hoe je iets schrijft)

Het meeste contact met anderen is door te spreken.
Daarom: spreken, spreken, spreken, in school, buiten school, op je werk, met vrienden, thuis, als het kan.
En ook op school, in de les: herhaal spreekoefeningen. Doe hetzelfde nog een keer. Eén keer is niet genoeg. Eén keer goed is ook niet genoeg.

Door de oefeningen meer te doen, ga je vanzelf op andere dingen letten bij het spreken. Vaak zonder het te weten. (Maar je kunt daar ook zelf op letten bij een spreekoefening die je doet: waar ga je nu op letten…?)
In het begin ben je vooral bezig met wat je wil zeggen. Daarna ga je meer letten op hoe je het zegt. Eerst komen de belangrijkste dingen dan de minder belangrijke.

Tip: kijk vooraf bij een spreekoefening: Wat is de bedoeling van de oefening? Wat ga je oefenen? Let op: Welke dingen heb je geleerd, die je in de spreekoefening kunt gebruiken?

Wees niet bang om fouten te maken. Bedenk altijd: de volgende keer gaat het beter.

 

         Regels   –   de grammatica

Als je taal leert, dan leer je het beste zinnen die je kunt gebruiken.
De regels leer je met de zinnen.
Onze hersenen zijn altijd aan het werk om uit alles regels te halen. Ook bij taal.
Bijvoorbeeld: als kinderen hun moedertaal leren, leren ze eerst de regels en de regelmatige dingen. En later pas de onregelmatige.

Dus door taal te leren gebruiken leer je vanzelf ook de regels.

Het kan helpen als je de belangrijkste regels van de taal ook weet.
Bijvoorbeeld wat is een woord of een zin… Wat is het onderwerp en wat is de persoonsvorm.
En: het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar.
Door je bewust te zijn van de regels kun je de taal sneller leren.
Vooral voor mensen met meer opleiding is de grammatica een belangrijk hulpmiddel bij het leren van taal.

Maar in het begin gaat het vooral om manieren van zeggen te leren. Om ‘een repertoire‘ van taal te leren.
Je leert zinnen en je gebruikt de zinnen die je hebt geleerd.
(Tot niveau B1 is dat de belangrijkste manier van leren.)
Je leert de grammatica door het gebruiken van zinnen die daar bij horen!

Belangrijk bij grammatica is om er aan te denken dat ook grammatica in de eerste plaats over inhoud gaat. Het gaat over: Wie doet iets? Wat doet hij of zij? Wat is dit? Over: Waar? Wanneer? Hoe? Hoeveel? Over de tijd: Wat ga je doen? Wat heb je gedaan? Enzovoort…
En dan zijn er de manieren waarop deze taal iets zegt… die soms moeilijkheden geven.

Maar bedenk, op de markt ga je niet eerst denken: Wat is de regel ook al weer?
Je wilt zinnen kunnen gebruiken: “Ik wil …….” “Heeft u …….?” “Mag ik van u ……”

Bij het leren van een taal gaat het bij de regels en de grammatica in de eerste plaats om het leren gebruiken van de taal. Om het doen. Hoe zeg je dit?
In de tweede plaats gaat het om het inzicht in wat je zegt en hoe je het zegt.

Tip: kijk bij het leren van de taal naar de verschillen en ook de overeenkomsten van het Nederlands met je eigen taal of een andere taal die je kent.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *